Haplophthalmus danicus

Nederlandse naam: Veenribbel

System-Map-icon

Hdanicus GeAr 20141207 121949 8339

Beschrijving:

Een kleine witte tot crèmekleurige pissebed. Het lichaam is bedekt met lengteribbeltjes, waarmee Veenribbel, net zoals de andere soorten uit dit genus, goed te onderscheiden is van andere Trichoniscidae. Het oog bestaat uit één zwarte ocellus. De lengteribbeltjes zijn minder uitgesproken dan bij Kleiribbel en Kalkribbel. Het beste onderscheidende kenmerk tussen Veenribbel en Klei- en Kalkribbel is het ontbreken van de twee bultjes op het derde pleoniet. Deze knobbeltjes zijn bij de andere soorten met een loepje duidelijk te zien in het veld. Veenribbel kan echter een heel zwakke verhoging hebben maar nooit twee te onderscheiden bultjes. Gemiddeld is de soort wat groter dan de andere soorten uit dit genus. Beweegt zeer traag en blijft bij verstoring meestal zitten. De epimeren van het pleon lopen eerder breed uit. Bij microscopisch onderzoek zijn het eerste en tweede pleopodenpaar van het mannetje kenmerkend. Mannetjes kunnen verder ook op naam gebracht worden door naar de carpus van de zevende poot te kijken. Deze heeft een zeer forse naar achter gebogen stekel. 3,5 – 4,5 mm.

Habitat

Veenribbel is een soort van vochtige habitats, die het vaakst gevonden wordt in vochtige humusrijke bossen (vb. beekbegeleidende bossen) en beekoevers. De soort is dan meestal te vinden in en onder rottend hout of onder stenen. Hier kan de soort heel talrijk aangetroffen worden. Een van de weinige soorten die ook in zuurdere en zandige bossen in de Kempen voorkomt, weliswaar als deze vochtig genoeg zijn. Lijkt Hoog-België te vermijden wat mogelijks verklaard kan worden door de lagere temperaturen in de winter. Veenribbel is ook een sterke cultuurvolger en wordt vaak gevonden in tuinen, nabij kerkhoven en in parken. Zijn grote voorkeur voor humusrijk materiaal zorgt er ook voor dat de soort regelmatig in composthopen aangetroffen wordt. Ook in verwarmde plantenkassen kan de soort algemeen zijn. De beste manier om de soort te vinden is door het omdraaien van dood hout en stenen in een vochtige, humusrijke omgeving. Ook door het zeven van organisch materiaal kan de soort gevonden worden. De soort wordt ook vaak gevonden in Berlese-Tullgren stalen.

Verspreiding in België

Algemeen ten noorden van Samber en Maas, zeldzaam ten zuiden. Ontbreekt grotendeels in de Ardennen.

EN

Common north of Sambre and Meuse but rare south of it. Very rare in the Ardennes. Also on more acid, sandy soils in the Campine region. Most often found in wet forest and along small streams. Under logs and in the forest litter layer containing a high amount of humus. Often in large numbers. Absence in the highest parts of the country could be due to its low tolerance for low winter temperatures. The species can often be found anthropogenic in gardens (compost heaps) and graveyards.

FR

Commun au nord du sillon Sambre-et-Meuse mais rare au sud. Également présent sur les sols sablonneux plus acides de Campine. Très rare en Ardenne. Trouvé le plus souvent dans la forêt humide et le long de petits ruisseaux. Sous les troncs au sol et dans la couche de litière forestière riche en humus. Souvent en grand nombre. L’absence dans les zones de plus haute altitude pourrait être due à une faible tolérance aux basses températures hivernales. L’espèce peut souvent être trouvée dans les jardins (tas de compost) et les cimetières.

Verspreiding in buurlanden

Een Europese soort die in verschillende delen van de wereld geïntroduceerd is.

Literatuur

Vandel (1960, 1962), Gruner (1966), Hopkin (1991), Berg & Wijnhoven (1997).

Afdrukken