Trichoniscoides albidus

Nederlandse naam: Wijnrood pissebedje

System-Map-icon

Wijnrood pissebedje

Beschrijving:

Het Wijnrood pissebedje dankt zijn naam aan zijn matrode tot mauve lichaamskleur. Het lichaam is mat en volledig bedekt met kleine knobbeltjes. De poten, antennen en epimeren zijn opvallend wit. Hierdoor is de soort in het veld goed te onderscheiden van Paarse drieoogjes. Het oog bestaat uit één enkele ocellus die zwart is. De soort verliest haar pigment bij bewaring in alcohol, wat de wetenschappelijke naam “albidus” verklaart. Op alcohol bewaarde exemplaren zijn moeilijk te onderscheiden van de andere soorten in het genus en de mannelijke geslachtkenmerken moeten dan gecontroleerd worden voor een zekere determinatie. Bij microscopisch onderzoek zijn het eerste en tweede pleopodenpaar van het mannetje kenmerkend. Vrouwtjes kunnen dan niet meer met zekerheid onderscheiden worden van de andere Trichoniscoides-soorten. Het Wijnrood pissebedje beweegt vrij traag, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld Paarse drieoogjes en Oeverpissebed. 2,5 – 4,5 mm.

Habitat:

Het Wijnrood pissebedje wordt zowel in bossen, open landschap als in bebouwde omgeving aan­getroffen. In de polders komt de soort vooral voor aan de oevers van grachten en beken en in wegbermen. In het binnenland zijn rivieroevers een belangrijk habitat. In deze open landschappen wordt het Wijnrood pissebedje gemakkelijk en in grotere aantallen gevonden. In loofbossen wordt de soort daarentegen minder gevonden en telkens maar één of enkele individuen. Het Wijnrood pissebedje wordt er vaker gevonden in het strooisel en net boven de bodem in plaats van in de grond zoals de andere Trichoniscoides-soorten. In bebouwde omgeving komt de soort voor in wegbermen, tuinen, kerkhoven, braakliggende terreinen in dorps- en stadscentra en parken. Het is onduidelijk of grotten een geschikt habitat voor Wijnrood pissebedje kunnen vormen. Verschillende oude waarnemingen werden gedaan in grotten, maar het materiaal kon niet geverifieerd worden. In bosgebied is de soort omwille van de lage aantallen moeilijk te vinden en geeft het zeven van strooisel de beste kans. De soort wordt in bossen dan ook eerder ‘per abuis’ aangetroffen tussen ingezamelde Paarse drieoogjes. Doordat de soort ook boven de bodem leeft kunnen bodemvallen in vochtige bossen ook een manier zijn om de soort te vinden. In open landschap en in bebouwde omgeving het meeste succes door stenen of dood hout om te draaien.

Verspreiding in België:

Algemeen in de polders en de zandleemstreek. Vrij algemeen in de leemstreek. Daarbuiten zeer zeldzaam.

EN:

Common in the polders and sandy loam area, rather common in the loam area and very rare in the rest of the country. In the polders found along edges of small streams and ditches and more inland along riversides. Also found in the litter layer of wet deciduous forests, but in low numbers. Under anthropogenic conditions on graveyards, in gardens and along roadside verges. Old recordings report the species from caves, but these observations could not be verified.

FR:

Commun dans les polders et la zone sablo-limoneuse, relativement commun dans la zone limoneuse et très rare dans le reste du pays. Près des cours d’eau. Trouvé également dans la couche de litière des forêts de feuillus humides, mais en petit nombre. En milieu anthropique, dans les cimetières, les jardins et le long des routes. De vieilles données mentionnent l’espèce dans des grottes, mais ces observations n’ont pas pu être vérifiées.

Verspreiding in buurlanden:

Een West-Europese soort die bekend is uit Ierland, Groot-Brittannië, België, Nederland,  Duitsland, Denenmarken, Zweden en Frankrijk.Een West-Europese soort die bekend is uit Ierland, Groot-Brittannië, België, Nederland,  Duitsland, Denenmarken, Zweden en Frankrijk.

Literatuur:

Vandel (1960, 1962), Gruner (1966), Hopkin (1991), Berg & Wijnhoven (1997).

Afdrukken E-mail

© 2014-2020 - Spinicornis.be